+31(0) 6 53 24 78 44 info@denhoed-co.nl
Vragen

Vragen

Vragen

Mensen produceren op grote schaal antwoorden op vragen. maar, welke vragen zijn er ooit gesteld en gelden die vragen nog steeds? Roepen die zogenaamde antwoorden geen twijfels en vragen op? Zijn we inmiddels niet verleerd om vragen te stellen?

Agenda’s

Vergaderingen worden meestal gehouden aan de hand van een agenda. Agendapunten worden doorgaans geformuleerd in termen van een subjectief, zoals onderwijs-innovatie, een PvA voor het KMO m.h.o.o. de Donuteconomy, uitwerking van de SDG’s, een duurzame strategie voor aannemers en baggeraars, e.d.  Waarover gesproken wordt zijn altijd vragen die zich hebben aangediend n.a.v. het onderwijs, de Donuteconomy, de SDG;s, etc. Zet die vragen dan ook op de agenda, dan weten de aanwezigen ook waarover het gaat.

Mijnen van vragen

Maak verder duidelijk wie de eigenaar van de vraag is, wie de vraag ‘gemijnd’ heeft, er wakker van ligt, er onder lijdt en z’n nek wil uitsteken om aan een oplossing voor die vraag te werken. Pas wanneer vragen een eigenaar hebben, kunnen ze serieus tot ontwikkeling komen en verkrijgen ze het vermogen om situaties in beweging te brengen.

Ook anderen kunnen het belang van de vraag inzien en deze gaan ‘mijnen’. Zo ontstaat er een groep van mede-eigenaren waardoor de kracht, om aan de beantwoording van de vraag te werken, toeneemt.

Functies goede vragen

Als een gesprek rond een vraag begint, dan blijkt de vraag een viertal wezenlijke functies te kunnen vervullen. Of de vraag – en het gesprek daarover – die functies gaandeweg ook vervult, bepaalt in hoge mate de kwaliteit van het gesprek.

Een goede vraag brengt motivatie en schept beweging. De vraag wordt inhoudelijk herkend en als zinnig beleefd. De mensen voelen zich erbij betrokken en stappen graag in het gesprek. Als de energie weglekt, kan het zijn dat de vraag beantwoord is of dat er eigenlijk een diepere vraag onder ligt. Of dat deelnemers – in plaats van vragen te stellen, met hun meningen, stellingnames of oordelen  – de discussie dwarszitten. Een dagelijkse communicatie is immers vaak een uitwisseling van oordelen…

Een goede vraag geeft ook oriëntatie en schept orde. De vraag maakt duidelijk wat er aan de orde is en wat niet. De vraag geeft aan de deelnemers een objectief referentiekader om bijdragen op te selecteren. Een diepgaande vraag zal niet altijd meteen beantwoord kunnen worden en aan de orde is dan ook een structuur in de tijd.

Een goede vraag schept een kader waarbinnen mensen elkaar kunnen bevragen. Enigszins wezenlijke vragen kunnen niet altijd direct en eenduidig beantwoord worden. Mensen kunnen elkaar bevragen op kennis en ervaringen, hun belang en hun betrokkenheid, gezichtspunten over oorzaken, opties voor oplossingen, enz. Een goede vraag schept ook de mogelijkheid om aan te geven van wie een substantiële bijdrage wordt verwacht  en waarom. En, om door te vragen op de onderlinge verhouding en bejegening. Het is een garantie dat de vraag en bijdragen veelzijdig belicht worden, er gaat iets ontstaan tussen de mensen en naar alle waarschijnlijkheid zal de oplossing door de betrokkenen gedragen worden.

Een goede vraag brengt ook de individuele mens in beweging doordat mensen zich bewust worden dat er wellicht manco’s zijn qua kennis, kunde en ervaring, qua project- en proces-vaardigheden, qua communicatie en interactie bekwaamheden. Ergo, dat er werk-aan-de-winkel is qua persoonlijke ontwikkeling.

Oordeelsvorming

Bij een oordeelsvorming spelen twee soorten vragen. De ken-vragen ontstaan uit de behoefte de wereld te begrijpen. Die behoefte heeft z’n wortels in een elementair beleven van een tekort of een gemis van een verhelderen begrip, een verklarende theorie, een integrerend concept, een meta-visie. Teneinde de verwarrende en onsamenhangende veelheid van waarnemingen en ervaringen doorzichtig, begrijpend en coherent te maken. De ken-weg leidt via het onderzoeken van feiten en begrippen tot inzichten.

De keuze-vragen ontstaan uit de behoefte de wereld te veranderen. Die behoefte heeft eveneens z’n wortels in een elementair beleven van een tekort en gemis. Er ontbreekt bijvoorbeeld kwaliteit, orde, rechtvaardigheid, milieubewustzijn, voldoend rentabiliteit, innovatief vermogen, etc. De keuze-weg leidt tot een oordeel van er te doen staat, tot beslissingen en een actieplan, tot beweging en een handelen.

Waar vragen we om

In het verlengde waarom we (vanuit een behoefte) vragen, ligt de vraag waar we om vragen. Het antwoord daarop gaat in drie verschillende richtingen. Een mens kan vragen om:

  • materiële zaken, consumptieve goederen, fysieke dienstverleningen. Het economisch leven vindt hier z’n aangrijpingspunt, de producent of adviseur die iets aanbiedt, vraagt er ook wat voor;
  • een relatie met genegenheid, erkenning, begrip, vertrouwen, gelijkwaardigheid, een ont-moeten. Dit is het hart van het sociale leven;
  • voeding voor de mind via de wetenschappen, de kunst en religies. Dit wordt verzorgd door het culturele leven.

In het omgaan met vragen, van jezelf net zo goed als die van een ander, is het niet onbelangrijk deze drie richtingen te onderscheiden en in het bewustzijn te hebben. Want bij het terugvertalen van de vraag naar de behoefte en van daaruit naar het elementaire tekort of gemis wordt niet zelden ontdekt dat de vraag-vlag de behoefte- en tekort-lading niet dekt. Omgekeerd, langs de piste van een tekort, via een behoefte, naar een wezenlijke vraag – waarbij de route soms twee keer wordt afgelegd – kan veel mis gaan.

Vragen beantwoorden

Het kan zijn dat er een situatie optreedt waarbij een vrager niet de juiste vraag stelt of een te eenzijdige. De vraagsteller heeft zelf een soort diagnose gesteld en komt met een vraag die het eindpunt is van een heel proces van denken en oordeelsvorming.

Als adviseur kun je het probleem tegenkomen waarbij een directeur  vraagt om zijn leidinggevenden een management cursus te geven omdat bij deze de nodige vaardigheden zouden ontbreken. Nader onderzoek kan aantonen dat hij de verkeerde diagnose heeft gesteld en daarmee om de verkeerde oplossing vraagt.

In één geval bleken de persoonlijke conflicten tussen de marketing leider en de productie bazen de oorzaak van het mismanagement te zijn. Daardoor werden er geen duidelijke afspraken gemaakt. De bazen moesten maar gokken wat er van hen verwacht werd, sloegen aan het improviseren en maakten daarbij natuurlijk fouten. Als gevolg daarvan werd het probleem als een opleidingsprobleem gedefinieerd. Voor de directeur was dit wellicht de gemakkelijkste oplossing (“ver van zijn bed door uitbesteding”) terwijl hij bij het oplossen van het conflict direct betrokken zou zijn…

Problem solving

Veel vragen hebben ook te maken met het zoeken naar een manier om het probleem op te lossen. De vraag is dan, is het een technisch probleem, een organisatorisch probleem, een financieel of economisch probleem, een sociaal-cultureel probleem, een juridisch probleem of …?

Het oplossen van het probleem valt onder de noemer van problem solving, het corrigeren van de afwijking zodat de oude situatie weer hersteld wordt. Volgens Peter Drucker een weinig creatieve en bovendien een nogal arrogante bezigheid. We hebben de norm gesteld en zo moet de werkelijkheid zich gedragen.

En als die werkelijkheid geen boodschap heeft aan onze norm en een afwijking tevoorschijn tovert, noemen we dat een probleem. Wanneer problemen hardnekkig terugkeren, helpt problem solving niet meer en wordt het tijd wat diepergaande vragen aangaande de normen te stellen en wellicht wat creativiteit en innovatievermogen er tegen aan te gooien (“opportunity grasping”)_…

Lerende Organisatie

Lerende Organisatie

Lerende Organisatie

In een lerende organisatie zijn denken en doen gekoppeld. Leren en presteren zijn integraal verbonden. Door een directe feedback over de kwaliteit van prestaties, individuele en groepsgewijze reflecties en continue aanpassingen op basis daarvan.

Collectief leren

Wierdsma en Swieringa hebben in 2011 gesteld dat verandering tot stand brengen een vorm van leren is, zowel op individueel niveau als op groepsniveau. Zij hebben 3 niveaus van leren beschreven: het enkel-, het dubbel- en het drieslag leren.

Een lerende organisatie is een organisatie die zich continu en op alle niveaus aanpast aan de voortdurende veranderingen in haar omgeving.

Een simple stap is voldoende. Begin klein en bottom-up.

Organisatieveranderingen bestaan uit het veranderen van en door individuen. Een individuele herbezinning leidt tot collectieve herbezinning. Veranderingen in een organisatie worden bereikt door de onderlinge afhankelijkheid die zich combineert met de eigen zelfstandigheid.

Enkelslag leren: regels

Bij enkelslag leren wordt er geleerd op het niveau van regels en de praktische uitvoering. Enkelslag leren gaat over oorzaak en gevolg denken, waarbij de benadering vooral instrumenteel is.

Het leidt tot verbetering van de bestaande regels zonder dat de onderliggende inzichten en principes ter discussie worden gesteld.

Met regels worden alle expliciete en impliciete aanwijzingen bedoeld omtrent het gewenste gedrag van de organisatieleden. Wat moeten en mogen wij? Het waarom van de bestaande regels staat niet of nauwelijks ter discussie. Nieuw gedrag ontstaat door aanpassing van de regels

Dubbelslag leren: inzichten

Bij dubbelslag leren veranderen gaat het niet alleen om het veranderen van regels, maar juist om het ter discussie stellen van de achterliggende  en onderliggende regels en de daarbij behorende inzichten. Daardoor worden achterliggende inzichten vernieuwd.

Dit vraagt een hoger niveau van inzicht en er zijn vaak meer mensen bij betrokken. Dubbelslag leren richt zich op vernieuwing, en juist dat leren veroorzaakt regelmatig conflicten.

Het gaat om het stellen van Waarom vragen. De categorie is weten en begrijpen. Het leren speelt zich af op een abstracter niveau. De vraag is niet meer wat je doet, maar waarom doen we het zoals we het doen? De 5x Waarom-methode kan goed van pas komen. Nieuw gedrag ontstaat omdat men nieuwe inzichten opdoet en inzet.

Drieslag leren: principes

Bij drieslag leren worden essentiële principes en waarden waarop iemands leven, baan en organisatiebeeld is gebaseerd ter discussie gesteld en heroverwogen. Kortom, de missie, visie en identiteit van een organisatie staat ter discussie.

Drieslag leren is uitdagend omdat vanzelfsprekendheden ter discussie worden gesteld en dat men het oude vertrouwde los laat door nieuwe principes te ontwikkelen. Drieslag leren richt zich op ontwikkeling en men noemt dit ook een leren op identiteitsniveau.

Drieslag leren betekent een ter discussie stellen van de essentiële principes waarop de organisatie is gebaseerd. Het gaat om het stellen van de kernvragen zoals: “Wat willen wij zijn met elkaar?” “Hoe willen wij met elkaar omgaan om dat te bereiken?” En vooral: “Welke intrinsieke wil is er om te veranderen?” Drieslag leren is van belang voor het creëren van eigenaarschap bij medewerkers.

Hoe kom je tot drieslag leren?

Door het onderzoeken en bespreekbaar maken van persoonlijke waarden en principes van en deze aansluiten met de visie en onderliggende principes en waarden van de organisatie. Het gaat hier om het samen willen en kunnen doen, dus niet door het opleggen van waarden en principes.

Dat organisaties blijvend moeten veranderen is duidelijk. Lerende organisaties dienen Wendbaar en Agile te zijn. Het hanteren van een methodiek als collectief leren is dus vanzelfsprekend.

Dit vraagt om het opstarten van gesprekken over de huidige werkwijze en overtuigingen. Je kijkt daarbij niet alleen naar wat men doet, maar stelt ook de Waarom vraag. Denk daarbij ook aan de IJsberg van McLelland en de Leercyclus van Kolb. De genoemde leerniveaus lijken ook veel op de Gouden Cirkel van Simon Sinek.

Nuttige websites:

– https://www.agile4all.nl/collectief-leren-enkel-dubbel-en-drieslag-leren/

https://petersnijders.info/drieslagleren/

https://www.agile4all.nl/wat-is-teamleren-volgens-bijlsma/

https://www.agile4all.nl/wat-is-de-taxonomie-van-bloom/

Teams

Teams

De wereld wordt geregeerd door teams. Door bestuursteams, directie teams, business teams, management team, project teams, In de Corona-tijd is de nadruk op het functioneel en succesvol samenwerken extra in het zoeklicht komen te staan.

Een team

Teams bestaan – in Human Design termen – uit 3-5 personen. Het harmonieuze en veilige gevoel van een team komt waarschijnlijk voort uit de gezinssituatie. De kleinste eenheid in het leven van vele mensen. We leven allemaal in een team, lopen dagelijks rond in een team, zijn geboren en opgegroeid in een team.

In de Corona-tijd is de nadruk op het functioneel en succesvol samenwerken in een team extra onder de aandacht komen te staan. Door het niet mogen samenkomen, zijn digitale omgevingen – zoals FaceTime, Skype, Zoom en Calendly, Microsoft Teams, G Suite, Slack, Smartsheets, maar ook een Airtable en Paymo  – bewust en gericht opgezocht.

Wat niet verhinderde dat mensen toch de sterke behoefte hadden om af en toe samen te komen, om elkaar real life te ont-moeten. De belemmering zat in de overheidsbepaling die dit alleen in kleine groepen toestond. In de bedrijfsoptiek werd dat veelal vertaald naar … in de hoogstnoodzakelijke teams dus.

Voor de uitvoerende teams was de noodzaak wellicht nog hoger dan voor de bestuurlijke teams. Bij die uitvoerende teams werd het gevoel dat 3-5 mensen het maximum is om functioneel en succesvol samen te werken al heel snel en pregnant duidelijk. Bij een groter aantal, bij zes al, voelden mensen zich al gauw teveel, niet echt connected, en haken ze af of vormen subgroepjes.

Kleine groep

De kern van organisaties wordt vaak gevormd door teams. Door teams die soms dwars door de organisatie heen lopen. En formeel of informeel samenkomen. De informele teams worden gevormd door mensen met eenzelfde kennisachtergrond, met eenzelfde aandachtsgebied, met eenzelfde issue of topic waarvoor ze zich verantwoordelijk voelen…

De informele teams zijn vaak de onzichtbare kracht van de organisatie, in wel en wee, in goede tijden en in slechte tijden.

De formele teams zijn de teams die een uitvoerende taak of opdracht hebben. Bij een samenstel van een aantal teams spreken we van een kleine groep. Een kleine groep is functioneel, effectief en succesvol als deze uit drie teams bestaat, aangevoerd door een alpha. Uit 9-15 mensen dus, met een verkozen leider om de zaak aan te sturen.

Grote groep

Organisatorisch gezien wordt het interessant als we naar grotere groepen, naar corporates en multinationals, gaan kijken. In 1997 publiceerde Shell topman Arie de Geus een boek met de titel  “The Living Company: Habits for Survival in a Turbulent Business Environment”.

In zijn boek legt De Geus uit waarom zoveel bedrijven al vroeg het loodje leggen. Met een levensduur van gemiddeld zo’n twaalf jaar – en voor multinationals een 40 jaar – hoe komt het dat sommige bedrijven al eeuwen bestaan? De Geus geeft aan dat het antwoord zit in de mensen en niet in de financiële activa. Hij geeft als verklaring dat de langst levende organisaties het bedrijf behandelen als ‘living work communities’, meer nog dan een puur economische machine.

Uit de opmerkelijke verhalen bij deze langlevende bedrijven destilleert De Geus als essentieel element het familiale verband. Het zijn juist de familiebedrijven die het eeuwenlang hebben volgehouden. De kern wordt gevormd door close teams en wordt versterkt door de bloedlijn. Deze geven een sterk saamhorigheidsgevoel en een forse competitieve drive. Al deze elementen vormen samen de prescriptie voor een lange levensduur van een organisatie.

Historisch gezien valt het op dat organisaties die het magische getal van eenentachtig, ergo 81 medewerkers, overschreden,  kennelijk een bepaald  mate van duurzaamheid verkregen. En daarmee een grote kans van slagen op een doorgroei en een lange levensduur. Het aantal van 81 wordt verklaard uit het feit dat zo’n grote groep bestaat uit een aantal kleine groepen, waarbij vijf kleine groepen van 16 personen, aangevoerd door een top-alpha, het omslagpunt vormen naar een duurzame en langlevende organisatie.

Fenomeen

De laatste decennia is het fenomeen van een netwerk meer in de belangstelling komen te staan. Was het zo dat bij familiebedrijven de familie in een mindere perioden of bij een crisis bijsprong, de vraag was waarom bijvoorbeeld Microsoft het zo lang volhoudt. Het antwoord lag niet in de binnenwereld maar in de buitenwereld. Microsoft heeft een gigantisch netwerk aan toeleveranciers en afnemers opgebouwd. Vele bedrijven, instellingen en overheden zijn op cruciale punten afhankelijk geworden van Microsoft. Ze fungeren als een zeker vangnet – een lifesaving global netwerk – voor het bedrijf.

Haier voegt een nieuw hoofdstuk toe aan dit fenomeen. De Rendanheyi filosofie – de klant centraal – levert een vortex aan energie en ware bron voor innovaties op. De vele duizenden toegewijde kleine bedrijfjes in het Haier eco-systeem vormen een hecht netwerk waar samenwerken in teams een essentie is en de focus op de onderliggende klantvraag de kern vormt van de groei en het succes van Haier.

Valkuilen van teams

Valkuilen van teams

Uitzonderlijk presterende projectteams brengen ook dramatische neveneffecten met zich mee. Dat is de andere kant van de medaille bij het werken in teams waar projectmanagers alert op moeten zijn. Want het kan – dat is gebleken in de praktijk – goed fout gaan…

Het fenomeen is ook bekend als Projectitis. Veel voorkomende valkuilen zijn:

1. Group think

In zeer eensgezinde teams verliezen de leden hun kritisch vermogen. Dit fenomeen vindt plaats als de druk tot saamhorigheid wordt gecombineerd met een illusie van onoverwinnelijkheid. Beslissingen worden dan snel genomen zonder stil te staan en na te denken over alternatieven. Dit leidt vaak tot fiasco’s die nadien voor absurd en onmogelijk worden gehouden. Symptomen van group think zijn:
– de denkwijze wordt niet meer getoetst aan de actuele realiteit:
– het witwassen van kritisch denken – i.c. de Zwarte Hoed van de Bono – en directe druk om eensgezind te blijven:
– een negatieve stereotypering van buitenstaanders; “good guys versus bad guys”
– een tunnelvisie waarbij andere zienswijzen niet worden toegelaten….

2. Bureaucratic bypass syndrome

Projectteams worden vaak gelegitimeerd om bureaucratische regels te omzeilen om het werk gedaan te krijgen. Als daarentegen het passeren van de bureaucratische regels een leefstijl wordt van het team, zullen organisatiemedewerkers die gebonden zijn aan regels en procedures geïrriteerd en vijandig kunnen worden. Uiteindelijk kunnen wegversperringen en tegenwerking het resultaat zijn van deze teamcultuur.

3. Entrepreneurs disease

Projectteams kunnen op dezelfde manier begeesterd worden als startende ondernemingen. Zo’n begeestering is opwindend en draagt veel bij tot het succes van het team.
Maar misbruik kan ook optreden als het team beslissingen neemt die weliswaar goed zijn voor het team maar niet zo goed zijn voor de (moeder)organisatie. Een (moeder-)organisatie die dan neerbuigend wordt bejegend en weggezet als een club van old fashioned, over-the-hill, retarded and jumped-up bo-bo’s.

4. Teamspirit wordt team-ingenomenheid

De opwinding, chaos en vreugde door het werken aan een inspirerend, uitdagend project kan een uitzonderlijke ervaring zijn. Teamleden kunnen zelfingenomen worden door de kansen en uitdagingen van het project en het talent om zich heen. Zo worden aan de ene kant uitzonderlijke bijdragen geleverd binnen het project, maar aan de andere kant – bij beëindiging van het project – gebroken professionele en persoonlijke relaties achtergelaten met burnouts, een leeg gevoel en disoriëntaties.

5. Going native

Deze uitdrukking stamt uit de koloniale tijd toen agenten de gebruiken, waarden en voorrechten van het vreemde land aannamen. Op een wijze die hen niet langer als representant van de natie deed aanmerken.De film “Dances with Wolves” is daarvan een prachtig voorbeeld. Hetzelfde fenomeen kan zich voordoen bij projectteams die full time en langere tijd werken bij de klant en die zich niet meer identificeren met de doelen en belangen van de thuis-organisatie.…

Aanraders

De fenomenen opmerken is een eerste stap. De volgende stap is het nemen van voorzorgsmaatregelen zoals project audits, één of meer teamleden zonodig vervangen, kortstondig kanjers inhuren met ervaring in dit soort valkuilen, VrijMiBo,…

Het vormen van Matrixteams voorkomt een vereenzelviging met het team en ook de afzondering van de (moeder)organisatie. Een andere aanrader is om frequent buitenstaanders in het team erbij te halen om andere denk- ene zienswijzen te introduceren, en innovaties of oplossingsrichtingen in te brengen…

Systemisch werken

Systemisch werken

Systemisch werken is ontstaan vanuit de systeem theorie en psychodrama en ontwikkeld voor (organisatie-)verander-vraagstukken. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat de methode van systeemopstellingen een goed instrument is voor managers om probleemsituaties bij veranderingen en de interventie-mogelijkheden te verhelderen.

Fenomenologisch waarnemen

Systemische werken, ook wel fenomenologisch waarnemen, is de kunst en kunde om verborgen, onderliggende patronen en dynamieken in systemen boven water te halen en hanteerbaar te maken. Een organisatieopstelling is een manier om deze patronen en dynamieken zichtbaar en voelbaar te maken. Een opstelling is een ruimtelijke weergave van een organisatie, waarin representanten van medewerkers, afdelingen, klanten, producten of doelen in de ruimte worden opgesteld, in verhouding tot elkaar. Door het herpositioneren van de representanten ontstaat inzicht in oplossingsrichtingen en -mogelijkheden.

Uitgangspunten

Systemisch werken kent de volgende uitgangspunten.

1. Het gaat over levende systemen

Bij systemisch werken wordt een organisatie(onderdeel) gezien en benaderd als een levend systeem. Een levend systeem is gericht op behoud en stabiliteit. Dat maakt meteen helder waarom een audit weerstand kan oproepen. Immers, de uitkomsten van de audit vragen meestal om verandering en verandering leidt tot instabiliteit, terwijl het systeem stabiliteit nastreeft.

Een ander kenmerk van een levend systeem is dat het geheel anders reageert dan de som der delen. De wetmatigheden in een organisatie bepalen dus voor een groot deel het gedrag van medewerkers. Dit kan verklaren waarom er medewerkers zijn die zeer actief zijn in het verenigingsleven, maar op het werk geen verantwoordelijkheidsbesef lijken te hebben.

2. Fenomenologisch waarnemen

Bij fenomenologisch waarnemen neem je afstand en kijk je met een open blik, zonder oordeel. Je kijkt naar het fenomeen. Je vraagt je af wat het fenomeen te vertellen heeft. Dit in tegenstelling tot de analytische benadering waar je focust en naar details kijkt. Bij fenomenologisch waarnemen ga je bijvoorbeeld een fraudezaak niet tot de bodem uitzoeken, maar vraag je je af welk onrecht de fraudeur is aangedaan, waar de fraude een oplossing voor is of welk effect de fraude op de afdeling heeft.

3. Veranderen begint met de wereld te nemen zoals die is

Een belangrijk uitgangspunt dat hieraan ten grondslag ligt, is dat met het onder ogen zien van de werkelijkheid en niet de projecties van verwachtingen en wensen, de kans op succesvolle verandering wordt vergroot. Je wilt graag dat jouw directeur zijn gedrag verandert, daar heb je alleen geen invloed op. Accepteren dat het zo is, geeft ruimte om op zoek te gaan naar alternatieven.

Vier systemische principes

Een systeem gedraagt zich volgens principes of wetmatigheden, die zorgen dat organisaties krachtig kunnen opereren. Als deze principes worden verstoord ontstaan in de organisatie klachten en tegenkrachten, zoals een hoog ziekteverzuim, lagere productiviteit of besluiteloosheid bij het management.

Organisatiesystemen kennen vier principes:

1. Organisaties willen hun bestemming bereiken

Organisaties willen iets bewerkstelligen in de maatschappij en hebben dus een richting, ze willen scheppen en creëren. Als een organisatie haar bestemming heeft bereikt, heeft ze in feite haar levenseinde bereikt. Op dit moment zie je veel winkels verdwijnen omdat ze geen bestaansrecht meer hebben in een tijd dat je de producten ook via internet kunt kopen.

2. Organisaties zoeken naar en gedijen bij een intrinsieke ordening

Bij ordening gaat het om rangorde. In de meeste organisaties is er een formele ordening. Van directeur naar manager naar medewerker. Naast de formele ordening bestaan er ook andere ordeningsprincipes, zoals leeftijd, expertise, dienstjaren en de bijdrage die je levert aan de organisatie. Als de ordening helder is en wordt gerespecteerd, zijn zowel het systeem als de mensen in het systeem krachtig. Er is dan geen gedoe over plek en het zorgt voor een zekere rust.

3. Binding

Iedereen heeft recht op een plek, wat betekent dat alle mensen die er werken erbij horen, gezien worden en evenveel waard zijn. Dit geldt ook voor mensen die in het verleden belangrijk zijn geweest, zoals de oprichters. Dit principe geldt ook voor andere elementen, zoals een afdeling, een doelstelling, een oud logo, organisatie-waarden, etc. Zo verliep een implementatie van het nieuwe financiële IT-pakket uiterst moeizaam. Er was veel aandacht voor al het mooie dat dit nieuwe pakket zou brengen. Maar pas op het moment dat onder ogen werd gezien dat het ook betekende dat een aantal mensen hun baan zou verliezen, verliep de implementatie weer vlot.

4. Er moet een balans zijn tussen geven en nemen

Als je iets krijgt, voel je de natuurlijke neiging iets terug te geven. Zo wordt de balans tussen geven en nemen bewaakt. Een organisatie floreert als er een goede uitwisseling is tussen geven en nemen. Binnen de organisatie, maar ook tussen de organisatie en de buitenwereld. Het balanceren in geven en nemen is een kunst en vraagt aandacht. Het gaat om het ontvangen van de beloning die past bij het werk dat je doet. Beloning is dan niet alleen salaris, maar ook het mogen doen van die leuke opdracht of waardering krijgen van het auditcomité.

Wat kun je als auditor met systemisch denken?

Het systemisch gedachtegoed is geschikt om de onderstroom zichtbaar te krijgen en om handreikingen te doen waarmee patronen kunnen worden doorbroken.

Met name de vier systemische principes helpen de auditor effectiever te opereren in de audit-praktijk. Uit ervaring weet ik wat het oplevert om je bij het uitvoeren van een audit meer bewust te zijn van je eigen plek. Het gaat dan nadrukkelijk niet om de formele plek, maar om de plek die je inneemt in de ordening en het leren ervaren wat dit doet.

Daarnaast levert het nuttige inzichten op om vanuit de systemische blik vragen te stellen en zo inzicht te krijgen wat er speelt. Bijvoorbeeld door na te gaan wat maakt dat die ene aanbeveling in het rapport steeds niet wordt opgepakt.

Op dit moment spelen in de zorg-sector nogal wat zaken waar de sector zelf mee aan de slag moet. Het systemisch werken zou aanvullend kunnen zijn door het zorg-beroep in de grotere context te bezien en vragen te stellen als: geeft het beroep zoals wij dat nu kennen nog wel antwoord op de vragen uit de maatschappij en op de vragen van de hulpbehoevende mensen zelf? Welke realiteit hebben wij onder ogen te zien? Bij deze vragen gaat het niet om goed of fout, maar om het (h)erkennen van het fenomeen, erkennen van wat er is.

De paradox van Cobb

De paradox van Cobb

We weten waarom projecten mislukken, we weten ook hoe we dat in de toekomst kunnen voorkomen, waarom komt er dan geen eind aan de mislukkingen? Dit is in essentie de paradox van Cobb.

Mislukken van projecten

De uitspraak van Cobb leidde tot veel discussie en wordt nog steeds regelmatig aangehaald als weer eens een groot project te laat, te duur of met slechte kwaliteit wordt opgeleverd. Waarom blijkt de controle op grote projecten vaak niet meer dan een wassen neus, ondanks allerlei moderne hulpmiddelen en technieken?

De paradox van Cobb is zeer herkenbaar, want we hoeven in Nederland alleen maar om ons heen te kijken om projecten te zien die volledig uit de klauw zijn gelopen. We staan erbij en kijken ernaar, maar niemand lijkt te kunnen of willen ingrijpen.

Wie is de schuld aan het mislukken van projecten, waarbij mislukken onder meer kan betekenen het te laat opleveren, te slechte kwaliteit of te hoge kosten? De vinger wijst dan al snel naar de projectleider. Maar is dat niet al te makkelijk? Want dan zouden wereldwijd alle projectmanagers structureel dezelfde fouten maken. Of deze nu een nieuw vliegtuig ontwerpen, een nieuw IT/ICT-systeem moeten opleveren, een brug renoveren of een metro-tunnel bouwen.

Werkstijl projectleiders

Eén van de meest markante onderzoeken naar de oorzaken van de paradox van Cobb is eind vorige eeuw uitgevoerd door Teun van Aken. In zijn proefschrift De Weg naar Projectsucces komt hij tot de verrassende conclusie dat succes niet wordt gerealiseerd door gebruik te maken van steeds meer managementinstrumenten, zoals planning, budgettering, monitoring, voortgangsrapportages en beslis-documenten. De werkstijl van projectleiders en de mate waarin zij gedoseerd gebruik maken van ter beschikking staande beheersinstrumenten voor projectmanagement blijken van minstens even groot belang.

Essentie

Het komt er op neer dat bij het vaststellen van project-variabelen waarop succes wordt gebaseerd – door opdrachtgevers of door projectmanagers – uitgegaan wordt van stationaire c.q. vaste variabelen. Ze zijn aanwezig bij alle projecten en variëren niet in de loop der tijd. Daar ligt de essentie. Systemen en projecten bevinden zich juist in een niet-stationaire omgeving. De technologie verandert, managers (en politici!) worden vervangen of gaan weg, nieuwe leiders hebben andere prioriteiten en verwachtingen, de markten veranderen sneller dan ooit. Even los nog van zaken als de bankencrisis, valutacrisis of milieurampen.

Slecht gedefinieerde probleemstellingen, wisselingen bij opdrachtgevers en een snelle gerichtheid op oplossingen en acties leidt tot activiteiten die niet tot het gewenste resultaat kunnen komen. Kortom, daar waar stationair of statisch gemeten wordt, daar is een niet-stationair of statisch meten én denken noodzakelijk.

Oplossingsrichtingen

Waar ligt dan de oplossing? Er worden in het artikel Nonstationary Root causes of Cobb’s Paradox een drietal oplossingsrichtingen aangegeven. In het kort en in grote lijnen (bron: http://www.faqs.org):

  1. Design to Cost; een behoorlijk instrumentele benadering van een dynamisch probleem. Kosten worden tijdens het design proces berekend en bijgehouden;
  2. Design to Schedule; in essentie gaat het hier om het hergebruik van bewezen ontwerp-variabelen en onderdelen naast het besef van medewerkers van het tijdselement als belangrijkste variabele;
  3. Configuratie en verandermanagement; aanbevelingen zijn wat zachter van aard en daardoor ook wat minder krachtig.